Psychosociale begeleiding
Ziekte en sterven zijn ingrijpende gebeurtenissen die bij het leven horen. De meeste patiënten zijn goed in staat om ermee om te gaan, al dan niet samen met hun naasten. Sommige mensen vinden het prettig om psychosociale begeleiding te krijgen. Deze begeleiding wordt verleend door gespecialiseerde zorgverleners, zoals maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, psychologen en psychiaters. De begeleiding kan de patiënt en zijn naasten helpen om beter met de situatie om te gaan.

Bij dergelijke begeleiding kunnen de volgende vragen aan de orde komen:

  • Wat maakt de patiënt boos, verdrietig, angstig en blij?

  • Wat is het eventuele geloof of levensovertuiging van de patiënt? Wat betekent dat voor hem?

  • Zijn er bepaalde gebruiken of rituelen die belangrijk zijn voor de patiënt?

  • Wat is voor de patiënt belangrijk?
    • Vroeger, toen er nog geen ernstige problemen met zijn gezondheid waren.
    • Nu hij niet meer beter wordt.
    • Straks, bij zijn afscheid en sterven.
  • Zijn er vragen over de zin van het leven? Bijvoorbeeld waarom overkomt mij dit? Of vragen over lijden en dood, over schuld en schaamte, over vergeving. Over vrijheid en verantwoordelijkheid, hoop en wanhoop, over liefde en vreugde.

  • Wat is nu van waarde voor de patiënt? Denk aan de relatie tot zichzelf en de relatie tot zijn naasten. Zijn cultuur, normen en waarden, het leven zelf en spiritualiteit of geloofsovertuiging.

  • Moet er nog iets gebeuren? Is er nog iets nodig? Iets dat ervoor kan zorgen dat de patiënt meer innerlijke rust ervaart?

Palliatieve chemotherapie en radiotherapie
Soms hebben patiënten last van pijn of benauwdheid. Palliatieve chemotherapie of radiotherapie kunnen die klachten verlichten. Deze behandelingen kunnen bijwerkingen hebben. Ook kan het belastend zijn dat de patiënt hiervoor regelmatig naar het ziekenhuis moet.

Morfine
Morfine is een medicijn waardoor een patiënt minder pijn heeft of minder benauwd is. Als een patiënt veel morfine krijgt, kan hij daar suf van worden. Bij ouderen en bij patiënten met een slecht werkende nierfunctie is er een verhoogd risico op een delier.

Er bestaan veel misverstanden over morfine. Het is belangrijk deze met de patiënt en naaste(n) te bespreken:

  • Morfine is niet het middel waarmee een arts palliatief sedeert of euthanasie uitvoert. Het komt wel regelmatig voor dat een patiënt morfine krijgt tijdens het palliatief sederen. Dit gebeurt dan om pijn- of benauwdheidsklachten te bestrijden.

  • Morfine verkort het leven van de patiënt niet, ook niet als hij de morfine in hoge doseringen krijgt. Voorwaarde is wel dat de doseringen zijn afgestemd op de mate van pijn of benauwdheid.

  • Er bestaat geen risico op afhankelijkheid van morfine als iemand in de laatste levensfase verkeert.
2.2 Symptoombestrijding en palliatieve behandelingen

Veel voorkomende lichamelijke symptomen in de palliatieve fase zijn benauwdheid, pijn, misselijkheid, braken, vermoeidheid, anorexie en obstipatie. Op psychosociaal en spiritueel vlak kunnen angsten, onrust en depressies voorkomen. Deze zijn vaak verbonden met verwerkingsproblematiek (over het ziek zijn of over het aanstaande sterven). Als de symptomen en klachten moeilijk onder controle te krijgen zijn, kunt u een beroep doen op het consultatieteam palliatieve zorg of de diverse palliatieve zorg richtlijnen. Zie bijvoorbeeld pallialine.nl en oncoguide.nl

Hieronder wordt een aantal behandelingen beschreven om symptomen en klachten te verminderen.

Er worden drie vormen van palliatieve sedatie onderscheiden:

  • Intermitterende sedatie, ter overbrugging van een bepaalde tijd of fase. Dit kan al vroeg(er) in de palliatieve fase toegepast worden.

  • Continue sedatie tot aan het overlijden, als de geschatte termijn van overlijden relatief kort is, dat wil zeggen maximaal twee weken.

  • Acute sedatie in het geval van (sub)acuut ontstane, zeer ernstige refractaire symptomen in de palliatieve fase, waaraan de patiënt vrijwel zeker op zeer korte termijn (minuten-uren) zal komen te overlijden. Dit is in feite een bijzondere vorm van continue sedatie.

Palliatieve sedatie

Palliatieve sedatie is geïndiceerd:

  • bij het bestaan van één of meer symptomen of verschijnselen, die leiden tot ondraaglijk lijden van de patiënt en

  • die met de conventionele behandelingen niet of niet voldoende snel en zonder onaanvaardbare bijwerkingen te bestrijden zijn.

Palliatieve sedatie is het opzettelijk verlagen van het bewustzijn in de laatste levensfase met als doel het lijden te verlichten. Zie ook de KNMG-richtlijn palliatieve sedatie.

2.2 Symptoombestrijding en palliatieve behandelingen

Veel voorkomende lichamelijke symptomen in de palliatieve fase zijn benauwdheid, pijn, misselijkheid, braken, vermoeidheid, anorexie en obstipatie. Op psychosociaal en spiritueel vlak kunnen angsten, onrust en depressies voorkomen. Deze zijn vaak verbonden met verwerkingsproblematiek (over het ziek zijn of over het aanstaande sterven). Als de symptomen en klachten moeilijk onder controle te krijgen zijn, kunt u een beroep doen op het consultatieteam palliatieve zorg of de diverse palliatieve zorg richtlijnen. Zie bijvoorbeeld pallialine.nl en oncoguide.nl

Hieronder wordt een aantal behandelingen beschreven om symptomen en klachten te verminderen.

Palliatieve chemotherapie en radiotherapie
Soms hebben patiënten last van pijn of benauwdheid. Palliatieve chemotherapie of radiotherapie kunnen die klachten verlichten. Deze behandelingen kunnen bijwerkingen hebben. Ook kan het belastend zijn dat de patiënt hiervoor regelmatig naar het ziekenhuis moet.

Morfine
Morfine is een medicijn waardoor een patiënt minder pijn heeft of minder benauwd is. Als een patiënt veel morfine krijgt, kan hij daar suf van worden. Bij ouderen en bij patiënten met een slecht werkende nierfunctie is er een verhoogd risico op een delier.

Er bestaan veel misverstanden over morfine. Het is belangrijk deze met de patiënt en naaste(n) te bespreken:

  • Morfine is niet het middel waarmee een arts palliatief sedeert of euthanasie uitvoert. Het komt wel regelmatig voor dat een patiënt morfine krijgt tijdens het palliatief sederen. Dit gebeurt dan om pijn- of benauwdheidsklachten te bestrijden.

  • Morfine verkort het leven van de patiënt niet, ook niet als hij de morfine in hoge doseringen krijgt. Voorwaarde is wel dat de doseringen zijn afgestemd op de mate van pijn of benauwdheid.

  • Er bestaat geen risico op afhankelijkheid van morfine als iemand in de laatste levensfase verkeert.

Palliatieve sedatie

Palliatieve sedatie is het opzettelijk verlagen van het bewustzijn in de laatste levensfase met als doel het lijden te verlichten. Zie ook de KNMG-richtlijn palliatieve sedatie.

Palliatieve sedatie is geïndiceerd:

  • bij het bestaan van één of meer symptomen of verschijnselen, die leiden tot ondraaglijk lijden van de patiënt en

  • die met de conventionele behandelingen niet of niet voldoende snel en zonder onaanvaardbare bijwerkingen te bestrijden zijn.

Er worden drie vormen van palliatieve sedatie onderscheiden:

  • Intermitterende sedatie, ter overbrugging van een bepaalde tijd of fase. Dit kan al vroeg(er) in de palliatieve fase toegepast worden.

  • Continue sedatie tot aan het overlijden, als de geschatte termijn van overlijden relatief kort is, dat wil zeggen maximaal twee weken.

  • Acute sedatie in het geval van (sub)acuut ontstane, zeer ernstige refractaire symptomen in de palliatieve fase, waaraan de patiënt vrijwel zeker op zeer korte termijn (minuten-uren) zal komen te overlijden. Dit is in feite een bijzondere vorm van continue sedatie.

Psychosociale begeleiding
Ziekte en sterven zijn ingrijpende gebeurtenissen die bij het leven horen. De meeste patiënten zijn goed in staat om ermee om te gaan, al dan niet samen met hun naasten. Sommige mensen vinden het prettig om psychosociale begeleiding te krijgen. Deze begeleiding wordt verleend door gespecialiseerde zorgverleners, zoals maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, psychologen en psychiaters. De begeleiding kan de patiënt en zijn naasten helpen om beter met de situatie om te gaan.

Bij dergelijke begeleiding kunnen de volgende vragen aan de orde komen:

  • Wat maakt de patiënt boos, verdrietig, angstig en blij?

  • Wat is het eventuele geloof of levensovertuiging van de patiënt? Wat betekent dat voor hem?

  • Zijn er bepaalde gebruiken of rituelen die belangrijk zijn voor de patiënt?

  • Wat is voor de patiënt belangrijk?
    • Vroeger, toen er nog geen ernstige problemen met zijn gezondheid waren.
    • Nu hij niet meer beter wordt.
    • Straks, bij zijn afscheid en sterven.
  • Zijn er vragen over de zin van het leven? Bijvoorbeeld waarom overkomt mij dit? Of vragen over lijden en dood, over schuld en schaamte, over vergeving. Over vrijheid en verantwoordelijkheid, hoop en wanhoop, over liefde en vreugde.

  • Wat is nu van waarde voor de patiënt? Denk aan de relatie tot zichzelf en de relatie tot zijn naasten. Zijn cultuur, normen en waarden, het leven zelf en spiritualiteit of geloofsovertuiging.

  • Moet er nog iets gebeuren? Is er nog iets nodig? Iets dat ervoor kan zorgen dat de patiënt meer innerlijke rust ervaart?